Gebruiksnormen worden toegekend aan de tot het bedrijf behorende en in Nederland gelegen oppervlakte landbouwgrond.

Gebruiksnormen gelden daarmee alleen voor grond die bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd. Een bedrijf wordt in artikel 1 onder i gedefinieerd als het geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van enige vorm van landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden.  Vervolgens wordt landbouwgrond (artikel 1 onder h. van de Meststoffenwet) gedefinieerd als grond waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt toegekend.  Waarbij landbouw is gedefinieerd artikel 1 Msw onder g, als akkerbouw, veehouderij – daaronder begrepen elke bedrijfsmatige vorm van houden van dieren voor gebruiks- of winstdoeleinden – , tuinbouw – daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, planten, bloemen en bloembollen – en bosbouw die aan bij ministeriële regeling gestelde regels voldoet. Daarmee is nog al snel sprake van een bedrijf en snel sprake van landbouw. De crux of aan een perceel wel of geen gebruiksnormen worden toegekend bevindt zich in de zinsnede ‘tot het bedrijf behorend’.

De ‘tot het bedrijf behorende oppervlakte’ is die oppervlakte grond die in het kader van een normale bedrijfsvoering bij dat bedrijf in gebruik is. De vraag is hoe het begrip ‘normale bedrijfsvoering’ moet worden gezien. Uit vaste rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven blijkt dat deze eis inhoudt dat de landbouwer moet beschikken over de ‘feitelijke beschikkingsmacht’  over een perceel. Deze beschikkingsmacht moet blijken uit het feit dat de landbouwer in staat is  het teeltplan en het bemestingsplan op elkaar af te stemmen en deze plannen in samenhang en alleen beperkt door de vigerende milieuwetgeving te realiseren. Met andere woorden er mag – met uitzonderling van het wettelijke kader – geen belemmeringen worden opgelegd door derden die betrekking hebben op de beslissingen die samenhangen met de teelt en oogst van het gewas en de hoeveelheid en aard van de bemesting op het perceel. En juist hier gaat het vaak mis. Hieronder een paar voorbeelden:

  • Een uiterwaardenperceel wordt gehuurd door een landbouwer. De landbouwer mag het perceel bemesten en beweiden. De verhurende organisatie stelt wel een aantal beperkingen met betrekking tot het gebruik van kunstmest en het aantal dieren dat mag worden geweid;
  • Een landbouwer geeft het perceel op van een particulier en brengt daar dierlijke mest op. De particulier mag zijn paarden weiden op het perceel en hoeft daarvoor niet af te stemmen met de landbouwer. Er zijn geen nadere afspraken gemaakt over het aantal paarden en wanneer deze mogen weiden..
  • Op een perceel wordt snijmaïs verbouwd. De teelt op een perceel wordt volledig uitbesteed aan degene aan wie de snijmais aan het einde van het jaar zal worden verkocht. De eigenaar van het perceel geeft het perceel wel zelf op.
  • Een perceel wordt gehuurd van een pretpark die het perceel een aantal dagen per jaar – bij uitzonderlijke drukte – blijft gebruiken als parkeerplaats.  In de onderliggende gebruiksovereenkomst wordt gesteld dat het perceel in zo’n situatie mag worden gebruikt door de verhuurder voor de periode van een week. .

In bovenstaande situaties zullen in alle gevallen –  en Indien niet kan worden aangetoond dat de feitelijke beschikkingsmacht toch berust bij de landbouwer – geen gebruiksnormen worden toegekend aan de betreffende percelen vanwege het feit dat de landbouwer niet voldeed aan de eis van feitelijke beschikkingsmacht. .