In de praktijk krijgen wij regelmatig de vraag: hoeveel dierlijke mest en kunstmest mag ik op een hectare maïs aanwenden? Deze vraag speelt met name bij percelen waar grasland is gescheurd en vervolgens maïs wordt geteeld, waarbij bovendien een korting op de stikstofgebruiksnorm van toepassing kan zijn. Hoewel de vraag begrijpelijk en logisch is, laat het antwoord zich niet eenvoudig in één getal uitdrukken.
Gebruiksnormen gelden op bedrijfsniveau
De kern van het vraagstuk ligt in de systematiek van de Meststoffenwet. De gebruiksnormen voor stikstof en fosfaat worden namelijk niet per perceel vastgesteld, maar op bedrijfsniveau. Dit betekent dat een ondernemer voor het gehele bedrijf een bepaalde gebruiksruimte heeft, gebaseerd op onder meer:
- de totale oppervlakte landbouwgrond;
- de verdeling van gewassen;
- de fosfaattoestand van de bodem;
- eventuele specifieke situaties, zoals het scheuren van grasland.
De aldus berekende gebruiksruimte vormt één geheel. Er is geen wettelijke norm die voorschrijft hoeveel mest er exact op één specifiek perceel mag worden aangewend.
Verdeling over percelen is ondernemerskeuze
Omdat de gebruiksruimte op bedrijfsniveau wordt vastgesteld, is het vervolgens aan de ondernemer om deze ruimte te verdelen over de verschillende percelen. Daarbij spelen agronomische overwegingen een belangrijke rol, zoals:
- de behoefte van het gewas;
- de bodemvruchtbaarheid en -voorraad;
- de opbrengstverwachting;
- het risico op uitspoeling.
In de praktijk betekent dit dat op het ene perceel meer mest kan worden aangewend dan op het andere, zolang de totale gebruiksnormen op bedrijfsniveau niet worden overschreden.
Effect van het scheuren van grasland
Bij het scheuren van grasland verandert de situatie wezenlijk. De wetgever gaat ervan uit dat bij het omzetten van grasland naar bouwland extra stikstof vrijkomt uit de bodem. Om die reden wordt een korting toegepast op de stikstofgebruiksnorm voor het betreffende perceel.
Deze korting is echter geen afzonderlijke “perceelsnorm” die losstaat van de rest van het bedrijf. In plaats daarvan wordt de totale stikstofgebruiksruimte van het bedrijf verlaagd. Daarmee wordt de ruimte die beschikbaar is voor bemesting – inclusief die van het maïsperceel – indirect beïnvloed.
Waarom een ‘per hectare’-antwoord misleidend kan zijn
Het is verleidelijk om te denken in vaste hoeveelheden mest per hectare maïs. Toch kan een dergelijk antwoord misleidend zijn. Twee bedrijven met identieke percelen maïs kunnen immers een verschillende bemestingsruimte hebben, afhankelijk van:
- de samenstelling van het bouwplan;
- de aanwezigheid van derogatie (voor zover van toepassing);
- eerdere bemesting en bodemtoestand;
- specifieke kortingen, zoals bij het scheuren van grasland.
Een generiek getal doet daarom zelden recht aan de werkelijke juridische en agronomische ruimte.
Praktische benadering
Voor een juiste beoordeling is het noodzakelijk om uit te gaan van de totale gebruiksruimte van het bedrijf. Vanuit die basis kan worden bepaald:
- hoeveel stikstof en fosfaat in totaal beschikbaar is;
- welke prioriteit aan de verschillende gewassen wordt gegeven;
- hoe de bemesting per perceel het best kan worden ingericht.
Daarbij is het verstandig om zowel de wettelijke kaders als de teelttechnische optimalisatie in samenhang te bekijken.
Conclusie
De vraag hoeveel mest er op een hectare maïs mag worden aangewend, kan niet los worden gezien van de bedrijfscontext. De Meststoffenwet werkt met gebruiksnormen op bedrijfsniveau, waarbij de ondernemer zelf de verdeling over percelen bepaalt. Situaties zoals het scheuren van grasland beïnvloeden de totale gebruiksruimte, maar leiden niet tot een op zichzelf staande perceelsnorm.
Een zorgvuldige berekening en strategische verdeling van de beschikbare meststoffenruimte blijven daarom essentieel voor zowel naleving van de wet als een optimale teelt.